Europa is de laatste geoorloofde ideologie. Nauwkeuriger gezegd: dat wordt er door zijn vurigste pleitbezorgers van gemaakt. Het continent heeft dit niet verdiend, het moet in bescherming worden genomen tegen zijn grootste propaganda-makers.

Want in de eerste plaats is Europa een delicaat gebouw, degelijk oud en tegelijkertijd heel breekbaar, dat zich bovendien middenin een crisis bevindt. Met de Europese Unie heeft het continent een onderkomen voor zijn geschiedenis en toekomst gevonden, dat zich voortdurend vernieuwt. Door de crisis wordt er nu wat meer vernieuwd dan gebruikelijk, niet in de laatste plaats op Brusselse topconferenties over de crisis. Nu moeten de provisorische maatregelen worden vervangen door een solide raamwerk. Over hoe dat er precies zal gaan uitzien, wordt – omdat dat in Europa nu eenmaal zo gaat – veel gestreden. Tot zover is er niet veel aan de hand.

Maar Europa is ook nog iets anders. Het dient als vijandbeeld voor velen die bang zijn voor de mondialisering en die geen zin hebben om voor andere landen en regio's te betalen, en voor mensen met een soort permanente woede, die ervoor hebben gekozen de EU te haten.

Euro-ideologen zijn geenszins gemarginaliseerd

En tenslotte is er nog een derde Europa, dat van de ‘euroforen’, degenen die het liefst zo snel mogelijk zo veel mogelijk van Europa willen hebben. Zij maken van de EU een wereldbeschouwing, zij misbruiken haar als ideologie.

Anders dan Europa-vijandige populisten als Umberto Bossi uit Italië, Geert Wilders uit Nederland of de ‘Ware Finnen’ zijn de euro-ideologen geenszins gemarginaliseerd. Zij bepalen de debatten en hun argumenten zie je in ietwat mildere vorm bij veel regeringsleiders terug, bij voorzitter Jean-Claude Juncker van de Eurogroep of bij de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble. Vaak bederven ideologische oogkleppen de discussie, in het ergste geval leveren ze de populisten van rechts munitie.

Euroforen streven iets paradoxaals na

De woordvoerders van deze ‘euroforen’ zijn hoog in aanzien staande intellectuelen als Ulrich Beck, de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse en Daniel Cohn-Bendit. Door hun pogingen via een volledig geïntegreerd Europa met betekenisloze nationale staten te ontsnappen aan de demonen van het verleden, belanden ze precies dáár: in het verleden, in de ideologie en in het ‘Wilhelmisme’ (vernoemd naar de Duitse keizer Wilhelm II, die tussen 1888 en 1918 streefde naar nationale grandeur).

Nu schilderen ze het continent in hun Europa-manifest in de zwartste kleuren en fluisteren dat het allemaal nog veel erger zal worden als niet onmiddellijk met de volledige eenwording van Europa wordt begonnen … “De invloed van onze tweeduizendjarige cultuur” dreigt “eenvoudigweg te worden weggevaagd.

Maar niet alleen voor Europa dreigt de ondergang, ook de wereld loopt het grootste gevaar, want ons staan “enorme handelsconflicten en nieuwe internationale oorlogen” te wachten.

Waarom doen verstandige mensen zoiets? Bovendien streven de ‘euroforen’ iets paradoxaals na: ze willen op het meest deprimerende en moeilijkste moment van de Europese Unie de grote sprong naar voren wagen. Hun argument is: juist nu het zo lastig is, moeten we des te sneller te werk gaan. Dat gaat uiteraard tegen elke intuïtie in, want iedere gewone burger zou eerder zeggen dat je, als iets niet goed functioneert, beter wat voorzichtigheid kunt betrachten. Maar juist daarom verhogen Cohn-Bendit en Verhofstadt de apocalyptische dosis.

Karl Popper, de grote filosoof van de nuchterheid, heeft het als een kenmerk van ideologieën aangeduid dat ze niet falsifieerbaar en dus niet weerlegbaar zijn. Dat geldt ook voor de ‘euroforen’.

Menasse denkt mensen tot zwijgen te kunnen brengen

Bij iedere stoornis in de Europese Unie, bij iedere verstandige twijfel of men wel op de juiste weg is, antwoorden zij: tegen de zwaktes van de EU helpt alleen nog maar méér EU! Het is zonneklaar dat mensen alleen maar zo denken als ze verder geen uitweg meer weten.

En juist dit ontbreken van een uitweg moet hen worden ingewreven. “Zijn of niet zijn”, “nu of nooit”, “als wij het niet doen, wie dan wel” – zo hebben alle ideologische leiders van de afgelopen eeuw geredeneerd. Bij beide gepassioneerde Europese politici Cohn-Bendit en Verhofstadt leidt dit tot een bijna merkwaardig soort revolutionaire retoriek. Vurig moedigen zij hun denkbeeldige Europese kameraden aan: “Slechts laffe, luie en kortzichtige staats- en regeringsleiders kunnen dit niet begrijpen. Schudt ze wakker. Laat ze geen dag met rust.

Interessant is in dit verband het woord “laf”,' als het de suggestie inhoudt dat Angela Merkel of de Franse president François Hollande alleen maar niet de grote sprong voorwaarts willen maken, omdat zij bang zijn weggestemd te worden. Als dat waar is, is dat alleen maar zo, omdat er in Europa voor dit alles eenvoudigweg geen meerderheden zijn, zolang de mensen nog niet bang genoeg zijn en zich ook niet bang willen laten maken.

Ook Robert Menasse gunt ons een blik op zijn woedehuishouding. Hij heeft zijn geduld verloren en zou graag iets van de kaart vegen: “Intussen kunnen we ook net zo goed de nationale parlementen afschaffen. In dit Europa zouden wij niet meer met dit soort irrationele fenomenen te maken moeten hebben, zoals in het geval van de heer Cameron, die – ook al doet zijn land niet eens mee aan de Europese muntunie – een gemeenschappelijk Europees financieel beleid kan blokkeren, om de speculantenmarkt van de Londense City te beschermen.” Dat is dus het idee: Menasse denkt mensen en belangen tot zwijgen te kunnen brengen door hen de kans te ontnemen zich via hun parlementen te uiten.

Zelfbehoud is argument van Realpolitik

Ook het anti-reformisme keert in deze Europese ideologie terug. Net als in de tijd van de Duitse Weimar-republiek tussen de twee wereldoorlogen, toen de sociaaldemocraten zich door de communisten het verwijt ‘reformistisch’ te zijn moesten laten welgevallen, roepen Cohn-Bendit en Verhofstadt de revolutionaire Europese massa's nu op zich nooit door het systeem in slaap te laten sussen: “Er is een radicale omwenteling nodig. Een waarachtige revolutie. Weiger al te trage hervormingen.

Voor het argument dat louter een verenigd Europa het hoofd boven water kan houden in een veranderende wereld met als machtscentra de Verenigde Staten, India, Brazilië, Rusland en China, valt natuurlijk wel iets te zeggen. Maar zelfbehoud is ook een ijskoud argument uit de school van de ‘Realpolitik’. Als Europa zijn plekje onder zon veilig wil stellen is dat prima, maar daarom hoeft het nog niet zoveel drama te maken. Bovendien zijn de staten waarmee Europa in de toekomst van doen zal hebben overwegend nationale staten.

Het gaat in feite niet om de vraag “natie of geen natie”, het gaat veel meer over omvang en geldingsdrang. Blijkbaar is voor de ‘euroforen’ de Europese natiestaat een bijna pijnlijk verschijnsel, terwijl zij die natiestaat elders misschien wel heimelijk bewonderen. Dit minderwaardigheidscomplex gaat – helaas op dezelfde manier als bij Wilhelm II – gepaard met een beetje grootheidswaan.

Als Europa niet één wordt, dreigen over de hele wereld – dat zagen we al – oorlogen uit te breken. Zonder Europa is ook de klimaatcatastrofe niet tegen te houden, zeggen de Groenen. Kan men niet beter zeggen dat Europa gewoon zijn weg moet zoeken en anderen de hunne, en dan maar zien waar men uitkomt?

Het heel bijzonder dat op zichzelf verstandige mensen nu weer zo ideologisch redeneren, en dan ook nog eens over Europa, ons arme, door al te veel zelf toegebrachte schade enigszins wijs geworden continent.

Je mag in Europa werkelijk over alles spreken, over iedere vergaande hervorming. Dat is geen enkel probleem, echt niet. Maar niet op deze toon. Houd daar in hemelsnaam mee op!